Het verhaal van de vader van Fenneke*

*Online tentoonstelling

Fennekes vader is net 18 jaar als hij tijdens de razzia van november 1944 wordt opgepakt. Hij schrijft zijn verhaal op, maar vertelt er nooit over. Fenneke is beeldend kunstenaar en maakt 12 monoprints naar aanleiding van het verhaal van haar vader, dat ze na zijn dood vindt.

Ik ben de pineut

‘Het bevel kwam. Ik stond in onze winkel en was de pineut.
Op iedere hoek van de straat stonden Duitse wachtposten.
Daar stond ik dan met mijn bundeltje.
Ik weet alleen nog dat ik een witte ijstrui aan had.’

Razzia

‘Samen met honderden mannen liep ik door de verduisterde stad, in de regen en onder bewaking.
Onderweg zag ik jongens die ik kende. We bleven bij elkaar.
Op de Sluisjesdijk wachtten we urenlang in de regen op wat komen ging.’

In de rijnaken

‘De Duitsers bleken rijnaken in beslag te hebben genomen. Het zal ongeveer 10 uur ’s avonds geweest zijn.
Op een smalle loopplank liepen we, loshandje, het dek op.
Via een smal laddertje klauterden we het ruim in. In het ruim was het stikdonker, maar de vloer was droog.
We gingen die nacht naar Amsterdam. Op zondag 12 november voeren we over het IJsselmeer naar Kampen.
Toen we uit het ruim moesten, schreeuwden de Duitsers dat we terroristen waren en sloegen ons met een stuk hout.’

Op het station in Zwolle

‘In lange colonne liepen we maandag 13 november vanuit Kampen naar het station in Zwolle.
De treinen stonden al op stoom.
We zaten net met ons groepje in de trein toen we Piet zagen wegrennen.
Ik heb me daarna over Piets bagage ontfermd, want we wisten niet wat met hem gebeurd was.’

Mülheim an der Ruhr

‘Wij waren dagenlang onderweg.
De trein werd beschoten.
Er was geen eten, we vingen regenwater op in een pannetje.
We wisten niet waar we heenreden.
In de nacht kwamen we doodmoe aan en liepen in colonne langs uitgestorven straten naar het barakkenkamp, dat omgeven was met prikkeldraad.
Het zal woensdag 15 op 16 november geweest zijn, ik weet het niet meer.
Zag dat de halve stad in puin lag.’

Werken bij de worstenfabriek

‘Mühlheim an der Ruhr viel ons bar tegen.
Het was koud en het regende.
We moesten puinruimen, maar klaagden bij de Lagerführer dat we geen pakken en gereedschap hadden.
We hebben geen steen aangeraakt.
Op een dag kwam de bedrijfsleider van de Würstfabrik Mentz arbeiders ronselen.
We konden zo als vrienden bij elkaar blijven.
Op het fabrieksterrein stonden barakken, daar verhuisden we naar toe.
Van Alois, een oorlogsinvalide (er werkten daar alleen invalide mannen) leerde ik plastic darmen dichtbinden met een touw.’

Kerstfeest 1944

‘Herr Direktor, een felle nazi, gaf op Kerstavond een feestelijk diner, ook voor alle buitenlandse arbeiders.
Er stonden sigaren en sigaretten op tafel, die confiskeerden wij direct.
We zongen die avond liedjes als Ketelbinkie en de Olieman.
Aan het eind van die avond hield de directeur een gloedvolle rede.
Hij hoopte op de overwinning van het Derde Rijk en eindigde met de nazi-groet.
Wij hielden ons doodstil en klapten niet.’

Oudejaarsavond

‘De winter van 1944/45 was erg koud. Hard vriezen en veel sneeuw.
We hielden op Oudejaarsavond een sneeuwballengevecht met de Russinnen uit de andere barak.
De vrouwen probeerden ons in te kochelen, maar wij kropen over de grond en trokken ze omver.
Dat was de enige keer dat we zo’n vriendschappelijke ontmoeting hadden.’

In de schuilkelder

‘Bij luchtgevaar ging de sirene.
Iedereen moest naar de schuilkelder onder de fabriek.
Deze ruimte was gesplitst voor Duitsers en Ausländer.
Achter een ijzeren deur met grendel zaten de Duitsers.’

In colonne

‘De Geallieerden kwamen dichterbij. Het was eind maart 1945.
We moesten van de Duitsers weg.
In colonne gingen we, onder bewaking van de Volksstürm, op pad.
We kwamen in een ander, smerig, barakkenkamp waar we luizen en ongedierte kregen.
Overdag moesten de mannen tankwallen graven, maar wij, van de worstfabriek, deelden het eten uit.’

Gezagsvacuüm

‘Op een dag waren de Duitsers plotseling verdwenen.
We kregen geen eten meer en hebben toen knolrapen van het veld geraapt.
Het was een periode van anarchie.
In het Russische kamp werd de Lagerführer bewusteloos geslagen.
Die lag ergens langs de kant van de weg.
Duitsers werden gemolesteerd en hun sieraden en horloges afgenomen.
Iedereen pakte wat hij grijpen kon.’

Naar huis

‘Op 12 april 1945 werden we bevrijd door het Engelse leger.
We kregen biscuits, sigaretten en chocola.
De Engelsen gebruikten overvloedig de DDT-spuit om ons te ontluizen.
We werden met een vrachtwagen tot over de Duitse grens gebracht.
Boven de grote rivieren was Nederland nog niet bevrijd.
Op 7 of 8 juni bracht een beurtschipper ons naar Rotterdam.
Op 9 juni 1945 schreef mijn moeder in haar agenda: ‘7:45 uur. Leen thuis. ‘Dank, dank den Heere.’

Fenneke Hordijk, Verhaal van mijn vader XII, 2019/2020

Ontdek meer*